+31 (0)85 30 36 429

Huurbedrijfsruimte beëindigd met vaststellingsovereenkomst

Voor toewijzing van de vordering in dit kort geding is vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
5.2. Kaavee heeft een beëindigingsovereenkomst is het geding gebracht. Ter zitting is de bestreden beëindigingsovereenkomst in origineel getoond. De kantonrechter heeft gezien dat die beëindigingsovereenkomst is voorzien van twee zogenaamde natte handtekeningen. Er is geen sprake van stempels of kopieën van handtekeningen. Voorts heeft de kantonrechter gezien dat de handtekening van [bestuurder La Plata Holding] op de beëindigingsovereenkomst grote gelijkenis vertoont met zijn handtekening op de huurovereenkomst en zijn paspoort. La Plata heeft hiertegen aangevoerd dat het niet de handtekening van [bestuurder La Plata Holding] is en hij bij de politie aangifte heeft gedaan. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat La Plata onvoldoende gemotiveerd betwist heeft dat de handtekening van [bestuurder La Plata Holding] op de beëindigingsovereenkomst vals is en er geen beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen. Naast hetgeen de kantonrechter hiervoor reeds heeft overwogen over de handtekening, betrekt de kantonrechter hierbij dat [bestuurder La Plata Holding] op enig moment aan Kaavee heeft bericht dat hij de beëindigingsovereenkomst zou tekenen, namelijk bij email van 7 februari 2017 (zie 2.8).
5.3. Gelet op het bovenstaande is de kantonrechter voorlopig van oordeel dat de huurovereenkomst tussen partijen met ingang van 7 februari 2017 is beëindigd, zodat de vordering van La Plata zal worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 5835101 VV EXPL 17-51

Uitspraakdatum: 18 mei 2017

Vonnis in kort geding in de zaak van:

La Plata B.V. – gevestigd te Amsterdam, eiseres in conventie, verweerster in reconventie

verder te noemen: La Plata

tegen

Kaavee Monumenten B.V. – gevestigd te Breda, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie

verder te noemen: Kaavee

1. Het procesverloop

1.1. La Plata heeft Kaavee op 5 april 2017 gedagvaard.
1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft Kaavee een conclusie van antwoord met een (voorwaardelijke) eis in reconventie met producties ingediend en heeft La Plata bij brieven van 24 en 26 april 2017 nog stukken toegezonden.

2. De feiten

2.1. Op 17 oktober 2016 hebben partijen een huurovereenkomst gesloten, waarbij Kaavee aan La Plata met ingang van 1 september 2016 het bedrijfspand aan de [adres] verhuurt voor een bedrag van € 55.000,00 exclusief btw per jaar.
2.2. La Plata Holding B.V. is de bestuurder van La Plata. [bestuurder La Plata Holding] is de bestuurder van La Plata Holding B.V.
2.3. La Plata heeft in de bedrijfsruimte een restaurant met de naam “ [naam restaurant] ” geëxploiteerd. [bestuurder Houtskool] heeft de dagelijkse leiding in het restaurant.
2.4. Voor 1 september 2016 exploiteerde HAF Houtskool B.V. in het bedrijfspand een restaurant. Feitelijk bestuurder van die B.V. was [bestuurder Houtskool] . HAF Houtskool B.V. is failliet verklaard op 2 augustus 2016.
2.5. In januari 2017 is het restaurant gesloten ten behoeve van een verbouwing. Begin februari 2017 heeft Kaavee de sloten van het bedrijfspand veranderd en heeft La Plata de bijbehorende sleutels niet overhandigd.
2.6. De verbouwing is door Kaavee “on hold” gezet. Het restaurant is niet meer open gegaan.
2.7. Bij e-mail van 7 februari heeft [bestuurder Kaavee] van Kavee aan [bestuurder La Plata Holding] een overeenkomst om de huur te beëindigen verzonden.
2.8. Bij e-mail van 7 februari 2017 heeft [bestuurder La Plata Holding] aan [bestuurder Kaavee] geschreven:“Bedankt [voornaam]
Neem het door
En geef het door aan de advocaat
Stuur het daarna getekend naar je toe
Fijne avond”

3. De vordering

3.1. La Plata vordert dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening Kaavee veroordeelt tot:- afgifte door Kaavee van de sleutel van het bedrijfspand binnen twee dagen na het vonnis;
– het klaar hebben van het bedrijfspand binnen 14 dagen na het vonnis voor gebruik, met alle bestaande inrichting/inventaris die deel uitmaakt van de huurovereenkomst;
– beide op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding per dag dat Kaavee hiermee in gebreke blijft;
– betaling van de proceskosten, inclusief nakosten.

3.2. La Plata legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de huurovereenkomst thans nog voortduurt. De door Kaavee getoonde beëindigingsovereenkomst, welke door [bestuurder La Plata Holding] zou zijn ondertekend, is vals. Kaavee heeft zich onrechtmatig gedragen door het vervangen van de sloten en het vernietigen van inventaris.
3.3. Kaavee heeft hiertegen verweer gevoerd.

4. De tegenvordering

4.1. Kaavee vordert dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening La Plata veroordeelt tot:- betaling van € 69.936,50, te vermeerderen met de wettelijke rente;
– betaling van de proceskosten, inclusief nakosten;
onder voorwaarde dat de huurovereenkomst niet reeds is beëindigd:
– ontruiming van het bedrijfspand, met machtiging om deze ontruiming met behulp van de sterke arm van politie en justitie te laten plaatsvinden indien La Plata hieraan niet volledig voldoet;
– betaling van € 32.905,61, te vermeerderen met de contractuele boete van 1%, met een minimum van € 300,00 per maand, en het bedrag aan huur per maand totdat het bedrijfspand is ontruimd en de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.104,06.

4.2. Kaavee stelt – samengevat – dat de huurovereenkomst door middel van een beëindigingsovereenkomst is beëindigd met ingang van 7 februari 2017. Voorts is tussen partijen mondeling overeengekomen dat bepaalde kosten voor de verbouwing van het restaurant voor rekening van La Plata komen en aan Kaavee dienen te worden voldaan. Kaavee heeft met betrekking daarop facturen aan La Plata verzonden, die onbetaald zijn gebleven.
4.3. Indien de kantonrechter voorlopig van oordeel is dat de huurovereenkomst niet is beëindigd, voert Kavee aan dat er thans een dusdanig grote huurachterstand is dat deze de ontruiming van de bedrijfsruimte rechtvaardigt. Voorts dient dan La Plata de huurachterstand te voldoen, met daarbij de contractuele rente van 1% per maand, met een minimum van € 300,00.
4.4. La Plata voert hiertegen verweer.

5. De beoordeling in conventie en reconventie

In conventie

5.1. Voor toewijzing van de vordering in dit kort geding is vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
5.2. Kaavee heeft een beëindigingsovereenkomst is het geding gebracht. Ter zitting is de bestreden beëindigingsovereenkomst in origineel getoond. De kantonrechter heeft gezien dat die beëindigingsovereenkomst is voorzien van twee zogenaamde natte handtekeningen. Er is geen sprake van stempels of kopieën van handtekeningen. Voorts heeft de kantonrechter gezien dat de handtekening van [bestuurder La Plata Holding] op de beëindigingsovereenkomst grote gelijkenis vertoont met zijn handtekening op de huurovereenkomst en zijn paspoort. La Plata heeft hiertegen aangevoerd dat het niet de handtekening van [bestuurder La Plata Holding] is en hij bij de politie aangifte heeft gedaan. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat La Plata onvoldoende gemotiveerd betwist heeft dat de handtekening van [bestuurder La Plata Holding] op de beëindigingsovereenkomst vals is en er geen beëindigingsovereenkomst tot stand is gekomen. Naast hetgeen de kantonrechter hiervoor reeds heeft overwogen over de handtekening, betrekt de kantonrechter hierbij dat [bestuurder La Plata Holding] op enig moment aan Kaavee heeft bericht dat hij de beëindigingsovereenkomst zou tekenen, namelijk bij email van 7 februari 2017 (zie 2.8).
5.3. Gelet op het bovenstaande is de kantonrechter voorlopig van oordeel dat de huurovereenkomst tussen partijen met ingang van 7 februari 2017 is beëindigd, zodat de vordering van La Plata zal worden afgewezen.
5.4. De proceskosten komen voor rekening van La Plata, omdat zij ongelijk krijgt.in reconventie

5.5. De voorzieningenrechter overweegt dat voor toewijzing van een geldvordering in kort geding slechts dan aanleiding is, wanneer het bestaan en de omvang van de vordering waarschijnlijk of voldoende aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terug-betaling (het restitutierisico) – bij afweging van de belangen van partijen – niet aan toewijzing in de weg staat. Deze vereisten zijn communicerende vaten. Indien er minder sprake is van onverwijlde spoed, dient de omvang van de vordering waarschijnlijker te zijn.
5.6. Kaavee heeft op 1 februari 2017 aan La Plata een factuur verzonden ter hoogte van € 26,500 inclusief btw en op 7 maart 2017 een factuur ter hoogte van € 42.350,00 inclusief btw. Kaavee heeft gesteld dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat bepaalde kosten voor de verbouwing van het restaurant voor rekening van La Plata komen en aan Kaavee dienen te worden voldaan. La Plata betwist dit. Partijen hebben mondelinge afspraken gemaakt. De stellingen van partijen met betrekking tot de werkzaamheden en de facturen staan tegenover elkaar. Om de stellingen en de eventuele rechtsgevolgen daarvan voor partijen te kunnen beoordelen, zal bewijs moeten worden geleverd. De thans door Kaavee overgelegde correspondentie en verklaringen zijn daarvoor onvoldoende, nu daaruit niet eenduidig blijkt welke werkzaamheden Kaavee zou uitvoeren voor La Plata en tegen welke prijs. Bewijs zal kunnen worden geleverd door middel van het horen van getuigen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent de onderhavige procedure zich daar echter niet voor. De kantonrechter zal deze vordering dan ook afwijzen.
5.7. Gezien hetgeen is overwogen in conventie moet in reconventie worden vastgesteld dat de voorwaarde waaronder Kaavee haar verdere vorderingen heeft ingesteld niet is ingetreden. De beoordeling van deze vorderingen kan dus achterwege blijven.
5.8. De proceskosten komen voor rekening van Kaavee, omdat zij ongelijk krijgt. Nu echter La Plata geen proceshandelingen heeft verricht ten aanzien van de reconventionele vordering, worden de proceskosten vastgesteld op nihil.

6. De beslissing

De kantonrechter:

in reconventie:

6.1. weigert de gevorderde voorziening;
6.2. veroordeelt La Plata tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Kaavee worden vastgesteld op een bedrag van € 600,00 aan salaris van de gemachtigde van Kaavee;in reconventie

6.3. weigert de gevorderde voorziening;
6.4. veroordeelt Kaavee tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Kaavee worden vastgesteld op nihil;
6.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Röell-Mulder en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter